Een coachsessie. Een jonge man met heel veel boosheid. Opgegroeid in een thuis met geweld. Zijn vader die hem en zijn moeder sloeg, toen hij nog kind was.
Wanneer ik naar hem kijk, zie ik ook angst. Angst, voor boosheid. De boosheid heeft al veel kapot gemaakt en is in staat tot nog veel meer.
Deze sessie bewegen we naar de boosheid toe. En dat is spannend voor hem. Wat komt er naar boven als hij ruimte geeft aan een energie die in staat is tot verwoesting? Een realistische angst, hij heeft in de praktijk geleerd dat in zijn boosheid hij kapot maakt wat hem lief is. Om zijn boosheid te voelen, heeft hij eerst de angst onder ogen te komen.
Na een aantal ronden boksen, komt de boosheid. Die maakt ruimte voor verdriet. Iets waar de boosheid hem tot nu toe voor beschermde. Er ontstaat ruimte voor iets zachters, en kwetsbaars.
D: “Wat komt er in je naar boven?”
R: “Ik mijzelf als klein jongetje, tussen mijn ouders”
“Ik kon niks doen.”
Het is even stil.. de spanning stijgt in zijn lijf. Het is voelbaar in de ruimte.
“Daarom wil ik hem kapot maken”
Het kan helend zijn voor mensen om in af te maken, wat toen niet kon. Het vraagt om zorgvuldigheid van mij, om iemand in het hier en nu te houden. Ruimte geven voor wat gevoeld wil worden, zonder de boosheid van meer voeding te voorzien.
Ik plak met een stuk tape de tekst op een kussen.
‘Ik maak je kapot, papa’
We boksen 1 ronde.. 2 ronden.. 3 ronden..
In elke ronde blijven we volledig in contact met wat zijn lichaam laat zien. We pellen de boosheid af.
Tijd voor mij om ook uit de controle, in de overgave te stappen. Vanaf nu heb ik ook op intuïtie te werken.
“Kan het zijn, dat dit een belofte is geweest aan je moeder?”
…. het is stil. Hij knikt.
Je mag het hardop herhalen wat ik zeg, of in jezelf. Als het lukt. Neem je tijd.
“Lieve mama, ik kon niks voor je doen. Ik was nog maar klein. Ik kan ook nu het niet meer goedmaken wat papa bij jou heeft gedaan, of oplossen. Het is niet aan mij. Ik ben alleen maar kind.”
Er volgt een diepe zucht.
We spreken nog over vergeving. ‘Dat vergeving niet iets is wat je doet voor de ander, maar dat je dat alleen voor jezelf doet. Dat vergeving betekent dat je jezelf de toestemming geeft, dat het verleden genoeg pijn heeft gedaan.*’
In deze sessie is voor het eerst echt contact gemaakt met de boosheid, , het verdriet en schuldgevoel wat daar onder zit.. We sluiten af, hij zegt: “Ik ga nadenken over wat je hebt gezegd over vergeving. Misschien zit er wel iets in..”
“Het is niet mijn schuld” – Liefde en onmacht verstrikt in ondragelijk schuldgevoel
Naast mij zit een vrouw. Een vrouw die haar eigen moeder op jonge leeftijd verloor. Met een dochter die innerlijk meer naar de dood verlangde, dan dat ze in het leven stond. Een moeder die niet wist of haar dochter nog leefde als ze thuis kwam.
Ze heeft veel verlies gekend, en kent de angst om te verliezen.
We hebben er eerder over gepraat, vanuit het hoofd.
Maar dat het hoofd het kan zeggen, wil niet zeggen dat het lijf er klaar voor is.
Soms is iets nog té pijnlijk om te doorvoelen. Dat zou nu ook kunnen, maar in dit geval gaat mijn aandacht daar niet heen. Ik weeg het af, en sluit het niet uit.
Hier is iets verstrikt geraakt. De liefde voor haar dochter, met de onmacht hoe het haar vergaat.
We doen een stap in de tijd. We zijn twee sessies later.
D: “We hebben het er nog niet echt over gehad, het komt nu in mij op. Misschien toevallig, misschien is het de tijd. Het gaat over moederschap.”
Het is tijd om er naar te kijken, zegt ze. We praten over moederschap. Als je bent opgegroeid zonder.. Wanneer je je eigen pijn, in je dochter ziet. Je alles gaf van wat je had en meer, je dochter zegt: “Ik wil niet leven, mama.”
D: “Ik ga een zin zeggen, die je door je heen mag laten komen. Om te onderzoeken of die resoneert. Raakt die niks, dan is dat oké. Je hoeft niks te doen, niet voor te werken. Je hoeft hem alleen te nemen. Ik ben en blijf bij je.”
“Het is niet niet jouw schuld.”
Haar lijf reageert. De ogen staren, maar ze is er. En ze kan blijven.
“Het is niet jouw schuld.”
Haar hoofd zakt in haar handen.
“Het is niet jouw schuld.”
Een snik. En nog een..
“Het is. Niet. Jouw schuld.”
De zin is liefdevol, en meedogenloos.
Ik kan niet te snel. Het lijf heeft tijd nodig.
Handschoenen aan. Ze stoot links – rechts, links – rechts.. Het lijf in beweging, in het hier en nu. Er komt ruimte.
D: “Is het oké dat ik de zin tegen je zeg, terwijl we stoot?”
“Ja… doe maar.”
D: “Belangrijk dat je vanuit je lijf bokst. Blijf er bij, blijf bij dat gevoel.
Het is niet jouw schuld.”
Ze kan er bij blijven. Er komen tranen, ontlading. De stoten worden krachtiger, er komt energie vrij. Maar we zijn er nog niet. In de ronden die volgen is er verdriet, misselijkheid, boosheid..
Van mij vraagt dit haar tempo te volgen. Niet sturen naar het licht voordat het donker is genoeg is gevoeld, of het lijf genoeg heeft gehad. Hier heb ik nabij te blijven. Niet te sturen, wel te steunen.
Na een aantal ronden boksen:
D: “Wat komt er in je op?”
“Misschien is het heel gek wat ik zeg. Maar.. Ik mag er zijn?”
Een teken van licht. Voor mij betekent dat van steunen naar bekrachtigen.
D: 4 stoten, 4 woorden. Bij elke stoot een woord.
Ik.
Mag.
Er.
Zijn.
Eerst zeg ik het. Dan samen. Dan zij. Het mag zacht en mild. Het mag hard en sterk. Volg de beweging uit haar lijf.
Van zacht.. naar sterk.
Er volgde nog een paar tranen.
Nu van trots, en compassie.
Waar de boosheid in het nu, zijn wortels heeft in het verdriet van toen
“Ik heb geleerd om mij onzichtbaar te maken, in het bijzijn van mijn moeder.” Voor mij zit een volwassen vrouw die vertelt hoe ze is opgegroeid. Als jongste dochter, met ouders die zelf verre van een zorgeloze jeugd hebben gehad.
Ze vertelt dat het leven zwaar was voor haar moeder, hoe ze letterlijk gebukt ging onder het leed van het leven. Ze wijst naar haar schouders, terwijl ze een krommende beweging maakt. Haar reactie als kind was om zich onzichtbaar te maken, om niet tot last te zijn. Als ze kon, had ze de last die haar moeder op haar schouders leek te dragen overgenomen. En misschien heeft ze dat ook wel gedaan. Net als het dragen van een last, is je onzichtbaar maken een van de vele manieren voor een kind om voor de ouder(s) te zorgen.
Het patroon uit haar kindertijd heeft zich in de jaren verfijnd. Wat heel helpend kan zijn om te functioneren in een volwassen wereld, maar minder helpend is als je er grip op wil krijgen. Ze kan goed ‘de ander’ boven zichzelf stellen, is bijzonder sensitief voor wat anderen willen en handelt daar vaak direct naar. Maar heeft geen idee wat zij zelf echt wilt. En ze heeft moeite met boosheid. Een uiting van je groot maken, wanneer je je klein voelt.
Boosheid is een emotie waar velen misverstanden over bestaan. De inzet van boksen zonder kennis van de bron en functie van de emotie is spelen met vuur. Iemand lekker laten ‘afreageren’ kan leiden tot meer beschadiging, in plaats dat het heelt. Zelfs als het initieel goed voelt.
Hier lijkt het te gaan om boosheid die het ‘recht om gezien te worden’ opeist. Als tegenbeweging op de onzichtbaarheid. Alsof de emotie zegt: “Nu gaat het een keer wél om mij.” Ondanks dat de onderliggende behoefte erkenning is, leidt het vaak tot afwijzing.
De gedachte, die bij mij en misschien ook wel bij jou opkomt is ‘waarom zou iemand dat op deze manier doen?’ Een logische gedachte. En, een terechte vraag. Het is wel een vraag waarbij het essentieel is hoe die gesteld wordt. Het gaat voorbij aan de formulering, of intonatie. Het gaat om iets wat dieper ligt.
Een vraag liefdevol stellen, vrij van bestraffing of afwijzing, vergroot de kans dat er een antwoord komt die haar ruimte geeft, mogelijkheden biedt om het vanaf nu anders te doen.
Haar antwoord lag in het onderbewuste. De boosheid leek voort te komen uit verdriet, en angst. Verdriet omdat ze niet gezien is, de angst voor eenzaamheid. De angst om weer te voelen wat ze als jong kind voelde.
“Zou het zo kunnen zijn, dat dit niet eerder gevoelde verdriet, boosheid is geworden?” Ze knikt, maar kijkt ook vragend. Soms weet je iets sneller dan je hoofd het begrijpt.
“Hoe is het nu in je lijf?” Ze verbreekt even het oogcontact, haalt nog eens diep adem, wiebelt wat in haar stoel: “Het is veel rustiger. Lichter, alsof de druk van mijn schouders af is.”

